Een stukje geschiedenis

Hoe is Zangschool Rotterdam ontstaan?

Marga Zwirs, oprichter en directeur vertelt.

Dit is het verhaal over het ontstaan van Zangschool Rotterdam. Het is een lang verhaal over mijn muzikale achtergrond en mijn drijfveren die samen komen in het oprichten van de school. Je kunt het gerust overslaan als je geen zin hebt in een lang verhaal. Het is niet noodzakelijk het te weten als je les bij ons wilt volgen. Maar als je geïnteresseerd bent in een context en een inhoudelijke achtergrond, nodig ik je van harte uit verder te lezen.

Ik ben opgegroeid in de kop van Noord-Holland. Hoewel ik in mijn leven vaak ben verhuisd, heb ik mijn lagere schoolperiode, van mijn 4e t/m mijn 12e , in Anna-Paulowna gewoond. Een bloembollendorp waar niets te beleven viel en al helemaal niet op cultureel gebied. Ik vermaakte mezelf in die tijd met knikkeren, hutten bouwen, spelen in de nieuwbouw en roeien met mijn roeiboot.

Al vroeg in mijn jeugd wist ik ‘Muziek is mijn ding’ en er zijn twee momenten die dit ‘weten’ markeren.

Het eerste moment:
Tijdens een les muziek in de 3e klas van de basisschool schreef de meester ritmische bouwsteentjes in verschillende volgordes op het schoolbord. Die ritmes moesten wij klappen. Het was zo’n zonnige dag en daarom zat de luxaflex aan beide zijden van het klaslokaal dicht. Zodat het niet te warm voor ons werd. Het lokaal was schemerig. Ik richtte mij volledig op de schrijvende meester en op de muzieknoten die voor mijn ogen als magische tekens in krijt op het schoolbord verschenen.

Door de volgorde van de ritmische bouwsteentjes te veranderen ontstonden er nieuwe stukjes muziek. Dat fascineerde mij. De meester vroeg ons of we variaties wilden verzinnen en ik merkte dat ik daar enorm enthousiast van raakte. Ik begon zelfs dingen te verzinnen die anders waren dan de bouwsteentjes. Ik merkte dat de meester niet wist hoe hij sommige van mijn variaties op moest schrijven. Dat vond ik niet erg. Eerder grappig. Ik herinner me ook dat de rest van de klas helemaal niet zo enthousiast raakte van dit muzikale spelletje als ik. Muziek maken was kennelijk iets wat – in deze klas althans – alleen bij mij hoorde.

Het tweede moment:
Mijn neef Martin, die in Julianadorp woonde, had een loeizware rode koffer met een elektronisch orgeltje. Het ding was hooguit twee-en-half octaaf en met de wetenschap en technologie van nu zouden we in de lach schieten bij het zien en horen ervan. Ik was gefascineerd door dit instrument en ik kon er liedjes op spelen met één hand. Ik wilde ook zo’n rode koffer met een orgel maar mijn ouders dachten dat het een bevlieging was. Ik mocht hem daarom eerst een tijdje lenen van mijn neef. Toen ik hem eenmaal thuis had en in mijn eigen kamer was er geen houden meer aan. Ik moest en zou op pianoles want ik wilde met twee handen leren spelen.

Ik kwam terecht bij een stokoude pianoleraar die bij ons op het dorp woonde. Een grote excentrieke opa die eruit zag als een kruising tussen Verdi en Wagner met zijn scherpe gelaatstrekken, zijn vriendelijke pretogen, zijn erudiete voorkomen en zijn lange grijze haarlokken. Hij was anders dan alle andere mensen die ik daarvoor had ontmoet. Er hing een wereld om hem heen die ik niet kende maar waarvan ik instinctief voelde dat ik er wilde zijn.

Mijn pianoleraar woonde samen met zijn vrouw, 2 luidruchtige valkparkieten, een veel te dikke kater die steeds vast kwam te zitten in het kattenluik van het schuurtje en een blonde poedel met ADHD op de hoek van een rijtjeshuis. De toch al veel te krappe woonkamer was in het midden gescheiden door een plastic roldeur. In de ‘muziekkamer’ stonden twee vleugels in elkaar geschoven, een Johannes orgel en een kastje met muziekboeken. Je kon er nauwelijks lopen.

Terwijl ik mij als 10 jarig meisje concentreerde op de eerste oefeningen uit ‘Folk-Dean’ met titels als ‘Dansende elfjes’ en ‘Moeder de gans’ voor 4 handen, zat de vrouw van mijn pianoleraar achter de plastic roldeur hele dagen te puzzelen en de een na de andere Belinda-menthol sigaret te roken met de blonde ADHD-poedel op schoot. Wanneer ik ’s avonds les had keek ze tijdens het puzzelen en roken ook nog televisie.

Mijn pianoleraar en zijn vrouw hadden regelmatig en openlijk ruzie over wie er het meest hinderlijke geluid maakte. Tijdens mijn les werd dan de roldeur open getrokken waarna hij zich beklaagde over de televisie die te luid stond. Zij riep dan door het geblaf van de poedel heen dat de televisie niet hoorbaar was omdat wij te hard quarte-mains speelde.

Mijn leraar was dol op mij en al gauw had ik 3 to 4 dagen in de week les. Hierdoor ging ik ook snel vooruit. Dit deed hij grotendeels gratis. Mijn ouders hadden nauwelijks geld voor 1 les in de week, laat staan voor 4. Hij deed dit omdat hij er oprecht lol in had mij les te geven. Ik ben hem hier nog steeds dankbaar voor.

Hoewel ik in die tijd vooral klassiek piano studeerde, had ik thuis ook een boek met Beatles-liedjes. Die nam ik zeker niet mee naar de les. ‘De Beatles hebben geen echte muziek geschreven’, zei mijn pianoleraar stellig. Dan kon hij streng zijn en weerbarstig. Ik speelde ze dus alleen thuis voor mijn eigen lol.

Het eerste liedje wat ik zelfstandig had uitgezocht was ‘All my loving’. De melodielijn, die stond verstopt in de pianopartituur, zong ik mee in stilte. Dit ging op een zo verinnerlijkte en geconcentreerde manier dat het voor mij geen verschil maakte met ‘echt zingen’. Ik zong van binnen. Ik vond het mooi. Dit was mijn manier van zingen en die hoorde bij pianomuziek. Bij ‘onechte zing-muziek’. Mijn stem voelde heel dichtbij. Jaren heb ik aan de piano op deze manier gezongen. Zonder daadwerkelijk geluid te maken met mijn stem. Zonder gehoord te zijn door de buitenwereld.

Daar kwam nog bij dat ik op de basisschool mee deed aan playback-wedstrijden. Dat was mode in die tijd. Op verschillende basisscholen in ons dorp werden voorrondes gehouden. De winnaars mochten meedoen aan de grote show op het podium van sporthal ‘de Veerburg’ waar ons huis op uitkeek. Daar heb ik samen met vriendjes en vriendinnetjes drie jaar achtereen de gouden medaille van het dorp gewonnen. De eerste keer met ‘Money, Money’ van Abba, de tweede keer met ‘Paradise by the dashboard light’ van Meatloaf en de derde keer met ‘You’re the greatest lover’ van Luv. Ook dat playbacken was voor mij een verinnerlijkte en verstilde manier van expressie geven met mijn stem. Ook dat voelde heel dichtbij. Alsof ik echt zong maar dan zonder geluid.

Natuurlijk zongen we ‘echte’ liedjes op de basisschool. Vooral in de 4e klas bij meester Hendriks en dat vond ik geweldig. Onze meester had ook een elektrisch orgeltje in een koffer. Die van hem was oranje en hij begeleidde ons bij vrolijke Zuid-Afrikaanse liedjes al ‘Suikerbossie ek wil jou hè’ en ‘Mama ‘kwil een man he’.

Het nemen van zangles kwam in die tijd geen moment in mij op. In Anna-Paulowna heerste alles behalve een zangcultuur, laat staan dat er een zangleraar te vinden was. Tussen het zingen van schoolliedjes, het verinnerlijkte zingen van ‘onechte pianomuziek’ van de Beatles en het playbacken van top-pop-liedjes bestond voor mij geen verband. Het waren werelden opzich waartoe ik mij steeds weer op een andere manier verhield.

Op mijn 18e werd ik aangenomen bij de vooropleiding van de Muziek-Pedagogische-Academie in Alkmaar. In eerste instantie voor de twee hoofdvakken ‘Docent Muziek’ en ‘Blokfluit’, die ik mijzelf ondertussen had aangeleerd te spelen. Piano wilde ik alleen nog als bijvak doen. De vakken ‘Zang’ en ‘Koor’ waren verplichtte bijvakken.

Tijdens de individuele zanglessen ontdekte ik dat ik het veel leuker vond om te zingen dan om piano te spelen. Het ging me ook makkelijker af. Het was ‘minder gedoe’ en het expressie geven vanuit mijzelf, zonder ‘tussenobstakel van dat toetsenbord’, stond veel dichter bij me. De zanglessen in deze periode waren de logische overgang van de jaren in stilte naar echt geluid maken met mijn stem. Het voelde als een natuurlijke volgende stap.

Ook het vak drama had mijn bijzondere aandacht. Door de dramadocent werd ik gevraagd mee te spelen in een aantal producties van de Stichting Kameropera Nederland. Deze stichting wilde opera dichter bij de schoolkinderen brengen en we zijn er zelfs mee op tournee geweest in Zwitserland.

Toen ik naar het 3e jaar zou gaan ben ik verhuisd naar Rotterdam. Er volgde een op persoonlijk vlak roerige periode. Ik was aangenomen op de theaterschool en tegelijkertijd ingestroomd in het tweede jaar van het Rotterdams conservatorium. Die twee opleidingen gingen op dat moment in mijn leven niet samen. Ik besloot eerst de theaterschool af te ronden. Wel zong ik in die tijd veel en vaak in allerlei verschillende voorstellingen.

Na de theaterschool te hebben afgerond wist ik dat ik door moest met zingen. Die gedachte trok aan me. Ik deed auditie op het conservatorium in den Haag waar ik werd aangenomen in het tweede jaar. In deze periode is mijn liefde voor het zingen en het communiceren met mijn stem pas echt tot bloei en ontwikkeling gekomen. Nog altijd koester ik geweldige herinneringen aan mijn studietijd op het Koninklijk Conservatorium. Als ik er ben – en dat gebeurt met enige regelmaat omdat ik als gastdocent ben verbonden – voelt het alsof ik weer thuis ben.

Hoewel ik klassieke zangles had en met veel plezier Mozart, Schubert en Weill zong, gaf ik er tijdens voorspeelavonden de voorkeur aan om licht repertoire te zingen. Voornamelijk muziektheater en kleinkunst. Tussen mijn voorliefde voor modern en lichter materiaal en mijn klassieke zanglessen begon in die periode inhoudelijke onvrede te ontstaan.

Om mijn studiekosten te kunnen betalen gaf ik in die tijd ook muziekles op een middelbare school in Leiden. In de methode muziek van deze school stond het nummer ‘Proud Mary’ van Tina Turner. Ik voelde wel aan dat het ronduit belachelijk zou klinken wanneer ik dit zou voorzingen met ‘een klassieke stem’. Instinctief zong ik ‘met mijn normale stem’ zodat ik in ieder geval zeker wist dat niet de helft van de pubers daarna lachend in de luxaflex zou hangen.

Steeds meer had ik in die periode het verlangen om lichter repertoire te zingen. Hoe leuk ik klassiek zingen ook vond; ik wilde liever musical, muziektheater, pop en kleinkunst zingen. Maar er was niemand die het mij kon leren. Ik moest zelf maar uitzoeken hoe ik ‘normaal’ kon klinken in dit repertoire. Ook mijn studiegenoten van de afdeling jazz-zang hadden geen antwoord op vragen over dit voor mij steeds wringender muzikaal vocale probleem. Zelfs zij hadden les van docenten die ook weer waren opgeleid vanuit de klassieke belcanto methode.

Het toppunt van de kloof tussen mijn klassieke zanglessen en mijn verlangen naar het lichte repertoire was wel de voorbereiding op mijn zangexamen. Ik mocht vanwege mijn achtergrond op de theaterschool de verplichtte examennummers verpakken in een zelfgeschreven theatershow. Een one-woman-voorstelling die ik de titel ’Hartepijn’ gaf. Hierin had ik als grap binnen de context van het stuk het lied ‘Telkens weer’ van Willeke Alberti verwerkt. Tijdens mijn klassieke zanglessen moest ik het lied op de gebruikelijke manier zingen; met mijn ‘klassieke stem’.

Omdat ik van mening ben dat je altijd zonder reserves moet doen wat je docent van je vraagt zodat je kunt onderzoeken wat het je oplevert, deed ik dit ook braaf. Dit was echter ook hét moment waarop ik dacht; ‘Waar ben ik in vredesnaam mee bezig? Wat sta ik hier te doen? Dit klinkt volslagen belachelijk!’. Op mijn examen heb ik het lichte repertoire dus tegendraads ‘met mijn gewone stem’ gezongen. En het lied ‘Telkens weer’ met een mooie geaspireerde /H/ tussen de /T/ en de /E/, zoals Willeke Alberti dat ook doet want dat vond ik grappig en leuk om na te doen.

Ik nam mijn zangdocente overigens niets kwalijk. Ze was een goede docente. Flexibel, optimistisch en welwillend maar ik merkte wel dat ook zij zich niet goed raad wist met deze zang-technische honger van mij en zelf ook tegen onbeantwoorde zang-technische vragen aanliep.

Ik ging de werkende wijde wereld in en gaf zangles op verschillende plekken. De meeste van mijn leerlingen wilden licht repertoire zingen en jaren achtereen bestonden mijn lessen uit een mengeling van oefeningen die ik zelf op het conservatorium had gehad en dat wat ik op mijn oren goed na kon doen maar anatomisch niet begreep. Laat staat dat ik het goed kon uitleggen zodat de leerlingen het ook begrepen.

Ik merkte dat mijn klassieke oefeningen regelmatig niet tot de gewenste klank leidde. Of erger; dat deze oefeningen de leerling zelfs belemmerde. Ik baalde er steeds meer van dat ik geen effectievere oefeningen had. Ik voelde me onthand en onmachtig en in zekere zin ook een charlatan. Ik had in die periode het gevoel dat er op ieder moment iemand binnen zou lopen die mij als zangdocent zou ontmaskeren.

Daar kwam verandering in toen rond het jaar 2000 de methode Estill Voice Training in Nederland werd geïntroduceerd. Deze methode is ontwikkeld door de Amerikaanse zang – en stemspecialist Jo Estill, in samenwerking met verschillende wetenschappers. Haar onderzoek start al in 1979 maar is sinds 1988 publiekelijk van start gegaan in Amerika en is met recht revolutionair en baanbrekend te noemen tegen het licht van de traditionele zangmethodieken en de logopedie.

In eerste instantie was Jo Estill klassiek zangeres en had zij een zangcarrière. Er ontstond bij haar echter steeds meer onvrede en frustratie over het feit dat de bestaande zangmethodieken geen antwoorden gaven op relevante vragen over het gebruik van haar (zang)stem. Ik herkende mij uiteraard volledig in het verhaal van Jo Estill.

Ruim 30 jaar heeft Jo Estill onderzoek gedaan naar het gebruik van de (zang)stem en dit samen met de beste medische wetenschappers en de beste zangers uit allerlei verschillende stijlen. In laboratoria werden verschillende soorten zangers en sprekers onderzocht. Onder andere door het naar binnen brengen van camera’s en spiermeters.

Ieder stemonderdeel, iedere beweging en iedere spierintensiteit werd nauwkeurig onderzocht en gemeten tijdens het produceren van alle mogelijke klanken die de stem kan maken. Op basis van deze onderzoeken is door haar een praktische methode ontwikkeld.

Toen ik voor het eerst in aanraking kwam met Estill Voice Training voelde dit voor mij als thuiskomen. Alsof alles eindelijk op zijn plek viel. Na jaren van zoeken naar antwoorden. Van onwetendheid. Van frustratie en van voelen dat er iets niet klopt maar niet weten wat het is. Van het ontbreken van anatomische kennis en efficiënte oefeningen. Eindelijk bracht deze methode dat waar ik al die jaren naar had gesmacht. Plotseling waren daar niet alleen alle antwoorden maar bood de methode ook een schat aan concrete oefeningen waarmee ik zelf aan de slag kon en waar ik mijn leerlingen mee kon helpen.

Ik heb mij vervolgens 4 jaar lang volledig op deze methode gestort en hem intensief bestudeerd. Uiteindelijk heb ik hiermee het diploma Certified Master Teacher behaald. Dit betekent dat ik als een van de 23 mensen in Nederland officieel les mag geven vanuit Estill Voice Training. De methode houdt voor mij eveneens in dat de jaren van zingen in stilte en het gecontroleerd zingen met geluid, op een harmonische manier met elkaar zijn samengebracht en verbonden.

Omdat ik zelf op zang-technisch gebied zo lang had gesparteld en nu eindelijk iets concreets had om anderen te helpen, wilde ik daar ook iets zinvols mee doen. En zo is het idee voor Zangschool Rotterdam ontstaan.

Ik wilde een plek creëren waar ambachtelijk en kwalitatief goed zangonderwijs wordt gegeven. Waar iedereen die zijn stem wil ontwikkelen welkom is en waar een vertaalslag is gemaakt van die hele specialistische taal uit de Estill Voice Training naar een taal die voor iedere zanger te begrijpen en toe te passen is.

Het verbaast mij tot op de dag van vandaag dat de ontwikkeling van de zangstem nog zo jong is. We hebben de telefoon uitgevonden, de computer en het internet, we vliegen over de hele wereld maar het inzichtelijk en toepasbaar maken van de werking van de stem is pas rond 1988 stapje voor stapje ontwikkeld. Het grootste deel van de zangdocenten spartelt op dit moment nog altijd en werkt nog steeds op basis van de klassieke belcanto-methode. Een methode waarin men zich veel uitdrukt in onhelder, multi-interpretabel en metaforisch taalgebruik. Dat moest anders bij Zangschool Rotterdam vond ik.

Op 8 juli 2011 is de school officieel opgericht. Ik had geen idee wat me te wachten stond bij zoiets als het oprichten van een bedrijf. Het was in eerste instantie niet veel meer dan een handtekening zetten bij de Kamer van Koophandel, het betalen van de administratiekosten en het zorgen dat mijn zoontje niet ondertussen nieuwsgierig de folderrekjes in de saaie wachtkamer leeg trok.

Ik had geen bedrijfsplan geschreven (geen zin in en het leek me tijdsverspilling), ik had geen startkapitaal, geen aparte huisvesting en ik had me maar half ingelezen over hoe je als bedrijf eigenlijk een boekhouding moest bijhouden. Dat zou ik gaandeweg wel ontdekken.

Ik ben gewoon in mijn eentje vanuit grote passie begonnen met het geven van individuele zanglessen in de werkkamer van mijn woonhuis. Wanneer nieuwe leerlingen belden om een afspraak te maken zei ik er nadrukkelijk bij: ‘Je belt aan bij een gewoon woonhuis hoor als je komt, dat je dat weet!’.

Voor de groepslessen huurde ik een ruimte op de Grote Visserijstraat die bij de theaterschool op de Mathenesserdijk hoorde. Een kelderruimte waar iets structureel mis was met de riolering. Er hing een misselijkmakende lucht. Omdat ik het niet vond kunnen hier leerlingen in te ontvangen zorgde ik dat ik bij weer en wind anderhalf uur van tevoren aanwezig was om alle deuren en ramen open te zetten. Om de ergste lucht eruit te laten en om de afvoerbuizen bij het keukenblokje te vullen met schoon water.

Boven de kelderruimte woonde een jong stel. Het oude pand was erg gehorig en zij hadden last van het geluid. Ik herinner mij een aantal sussende gesprekken in de binnentuin. Met de buurvrouw in een lichtblauwe ochtendjas, op sloffen en een van frustratie vertrokken voorhoofd die mij liet weten dat dit zo echt niet langer kon. En dit terwijl de cursisten thee zaten te drinken in de pauze en alles konden volgen.

Ik kon de bovenbuurvrouw uiteindelijk geruststellen want Zangschool Rotterdam werd te groot om nog in te huren bij de theaterschool. Deze had ook zo zijn eigen activiteiten waarvoor de nodige capaciteit aan ruimte nodig was en ik kon mijn groeiende groepen er niet meer in kwijt. Ook de privé-lessen in de werkkamer van mijn huis en de wekelijkse stroom leerlingen die over mijn trap trokken begon zijn tol te eisen van mijn gezin.

In november 2012 tekende ik het huurcontact voor een eigen unit in bedrijfsverzamelpand ‘de Fabriek van Delfshaven’. Al snel bleek echter dat ook hier sprake was van een onwerkbare situatie. Ik had te maken met zowel uitgaande als inkomende geluidoverlast.

Na een zeer stressvolle periode en slapeloze nachten waarbij een uitzetting dreigde, na veel gedoe en helaas zelfs juridisch getouwtrek betrok Zangschool Rotterdam na een positieve testperiode een prachtige studio aan de straatzijde van hetzelfde pand.

Op een gegeven moment kwam van hieruit het punt dat ik de toestromende leerlingen in mijn eentje niet meer aankon. De ruimte boven de studio werd erbij gehuurd, de benedenruimte aan de straatzijde werd ingezet en er kwamen docenten in dienst.

De docenten die bij Zangschool Rotterdam lesgeven en die niet elders al met EVT hebben gewerkt en hun Level I en Level II hebben behaald – de eerste certificaten op weg naar het diploma CMT – krijgen een verplichte interne training Estill Voice Training. Dit zodat zij in ieder geval kennis hebben genomen van de inhoud van de methode en er praktisch mee hebben gewerkt

Hoe enthousiast ik ook ben over EVT; ik vind ook dat het geen ‘bijbel op zich’ moet zijn binnen de school. De zangmethodiek is nog steeds in ontwikkeling. Met name het vereenvoudigd toegankelijk maken van deze ingewikkelde anatomische materie is nog in volle gang. De lessen bij Zangschool Rotterdam zijn weliswaar gebaseerd op het gedachtengoed van Jo Estill maar ik wil ook open blijven staan en me blijvend laten inspireren door input vanuit andere invalshoeken.

Vandaar dat ik afgelopen jaar ben begonnen in het derde leerjaar van het Universal Voice System onder leiding van Alberto ter Doest. Het mooie aan deze nieuwe en revolutionaire Nederlandse methode is het voor leerlingen vereenvoudigen en op efficiënte manier toepasbaar maken van complexe zangtechnische zaken. De methode bedient zich hierbij van glashelder taalgebruik. Iets wat uitstekend past bij mijn visie op de lessen in Zangschool Rotterdam.

De docenten die hier werken moeten bovendien de vrijheid hebben om op basis van hetzelfde gedachtengoed te kunnen werken vanuit hun eigen kracht. Wat we gemeen hebben is A: Dat we er vanuit gaan dat iedereen kan leren zingen en B: dat we zangtechniek helder, inzichtelijk en toepasbaar maken zodat iedere leerling de vrijheid heeft te klinken zoals hij wil.

Ik heb altijd een rotsvast vertrouwen gehad dat ‘het wel zou gaan lopen met Zangschool Rotterdam’. Dat het zo’n succes zou worden en zo groot zou worden als het nu is had ik echter nooit voor mogelijk gehouden. De 1000e leerling zal op zeer korte termijn een feit zijn. Nog dagelijks kan ik daar met grote verbazing en verwondering naar kijken. Maar vooral ook met dankbaarheid en blijdschap. Dat we hier zovele Rotterdammers en mensen van (ver) daarbuiten kunnen helpen maakt van mij een gelukkig mens.

Ik weet als geen ander wat het betekent om vanuit stilte tot klinken te komen. Om dat wat in je leeft expressie te geven door middel van je stem. Welke stap dit voor iemand kan betekenen. Maar ook welke levensvreugde dat geeft. Het heeft mijn voortdurende aandacht dat we dit bereiken door ambachtelijk en kwalitatief goede zanglessen en door een veilige en prettige leeromgeving waarin leerlingen zich welkom en thuis voelen. Dit zodat iedereen bij ons de mogelijkheid heeft zijn vocale doelen te bereiken. Welke dat ook mogen zijn.

Marga Zwirs
Directeur Zangschool Rotterdam